Reis terug naar Welkom of naar Noorderland of Safira's mysterieuze reis 

KERSTSPROOKJES

Noot van de auteur: Aan de hardleerse sapperdeflapflanzen. Ik kan me niet herinneren toestemming te hebben gegeven - integendeel zelfs - om welke dingen dan ook, uit mijn verhaaltjes, die ik jullie in goed vertrouwen heb toegezonden - dit jaar met name het bovenstaande verhaal - als inspiratiebron te gebruiken voor jullie verhaal. Die toestemming krijgen jullie ook niet. Verleden jaar niet, nu niet en nooit niet. Verzin zelf eens iets. Wie de schoen past trekke hem aan.

 

Met kersttijd 2007 schreef ik het bovenstaande onder mijn kerstverhaal ‘de verdwenen rendieren’. Dat was niet zonder reden. In een pittoresk stadje in het zuidelijkste deel van Nederland vinden elk jaar populaire kerstevenementen plaats. Een organisatie springt daarbij uit de toon en ontvangt ieder jaar weer honderdduizenden bezoekers.

Drie jaar geleden viel hun oog op mijn site, waar ik een kerstverhaaltje bij mijn grote kersthuis, schaal 1:12, had geschreven, zie HET HUIS VAN DE KERSTMAN.

Kennelijk viel dit verhaal op door de juiste toonzetting en sfeer, want ik werd per mail – en later telefonisch – benaderd door de decorateur van die club om kerstverhaaltjes. Ze wilden het groots aanpakken met de decoratie, maar zochten een verhaal. Omdat ik geen prof ben in de zin van de streken, die er met o.a. auteurs worden uitgehaald, stuurde ik die verhalen per mail op. Ik had er vertrouwen in (dom! dom! dom!) en stelde vooraf geen eisen. Mijn echtgenoot zei al meteen: ‘je moet niks opsturen, gewoon geld ervoor vragen, dan pas sturen.’ Maar zo zit ik nu eenmaal niet in elkaar. Ik had het al fijn gevonden als mijn naam erbij had gestaan en ik een uitnodiging had ontvangen om het eindresultaat te bekijken, als de verhaaltjes zouden worden gebruikt. Nog mooier had ik het gevonden als ik daar voor een dag een standje had kunnen krijgen of huren om mijn debuut ‘De Roep van de Eenhoorn’, in het najaar 2006 uitgekomen, te mogen promoten. De laatste correspondentie met de decorateur was de vraag van hem wat er met de copyright moest, als ze mijn verhaaltjes zouden willen gebruiken. Ik heb na overleg met bevriende auteurs teruggemaild dat de copyright bij mij berustte, maar dat onder bepaalde voorwaarden andere afspraken gemaakt konden worden.

Het is namelijk zo dat je een verhaal geheel kan overdragen, maar daarvoor kun je een hogere vergoeding vragen. Immers, je kunt dan een rechten meer verlenen aan je verhaal. 

Toen bleef het stil. Ik ging ervan uit dat ze niets aan mijn verhalen hadden. Wederom te goed van vertrouwen, dus dom. Tegen de kersttijd van 2006 keek ik toch op de site van die organisatie en kon ik hun kerstverhaal lezen. Al lezend werd ik steeds nijdiger. Ze hadden rijkelijk geplukt van de sfeer in mijn verhalen, sommige kleine dingen letterlijk geciteerd, andere dingen gewijzigd, maar nog duidelijk afleidbaar en eveneens grotendeels de verhaallijn erin opgenomen. Kortom; duidelijk geinspireerd. En natuurlijk niet mijn naam erbij. Nee, het geheel onder hun eigen copyright. Ja zeg, is dat even onfatsoenlijk. Ik ben een rare, misschien niet volwassen, maar ik geloof in de kerstgedachte. Dat is dit duidelijk NIET! Ik heb ze aangeschreven en kreeg het geijkte antwoord terug. Het was allemaal heel toevallig, natuurlijk. Het lag ook allemaal heel erg voor de hand. Ja, de madam die het had geschreven, had wel mijn verhaaltjes gelezen, maar het was niet de bedoeling, misschien onbewust, dat er iets was overgenomen. Zo lust ik er nog een paar. Ten eerste geloof ik het niet en ten tweede; als ze zo onzorgvuldig handelen, was op zijn minst een tegemoetkoming in de kwestie en een excuses op zijn plaats. Zelfs daar hadden ze het fatsoen niet voor. Als auteur, maar ook als mens, voel je je dan behandeld als voetveeg. Nog geen bedankje kan eraf, terwijl zij jaarlijks honderdduizenden euro's binnenhalen tijdens het kerstevenement.

De verhalen staan geregistreerd, staan onder copyright en de hele kwestie is bekeken door een rechtspersoon. Bovendien zijn veel auteurs gewaarschuwd niet met deze club in zee te gaan.

Het geheel bleek zo succesvol dat eind 2007 wederom een zelfde opzet kwam. Ik las het verhaal op hun site en dit keer bleken ze slechts geïnspireerd te zijn door een paar elementjes uit mijn verhalen. Ik moet zeggen, heel zorgvuldig omzeild. Ik herken het natuurlijk wel, vandaar mijn opmerking, want kwaad ben ik nog steeds.

Dankzij het enorme succes ook dit jaar weer zo’n  kersttoestand bij de club. Op hun site stond helemaal niets. Echter, het moet zo zijn, ik werd geattendeerd door een hele fijne kennis, die daar een bezoek had afgelegd. Ze herkende meteen mijn stijl en de plotontwikkeling uit mijn aan die organisatie toegezonden verhalen, die dus al sinds november/december 2006 hier op het blog staan (en waarvan een backup bewaard is). Het verhaal stond in een flyer en de verhaallijn leek verdacht veel op die van ‘de verdwenen rendieren’ met een stukje van 'Elvira's droom'. Weer dus! De kennis stuurde mij de flyer toe, waarvoor heel veel dank.

Nou, ik heb het gelezen. Tja, wat zal ik ervan zeggen. De kerstman gaat met zijn rendieren door de sneeuw, wordt overvallen door de trollen en in plaats van de rendieren wordt de kerstman ontvoerd. Ze hebben de rendieren wel weggejaagd. Ook de cadeautjes zijn zoek, bij de trollen natuurlijk. En natuurlijk zoeken de elfjes de kerstman. Bij mij is het de oppertrol die spijt heeft. Bij hen is het de trollenkoning. Inspiratie uit 'de verdwenen rendieren'. Het meisje (in een van mijn verhalen Elvira) heeft het koud en vliegt met elfjes mee. Inspiratie uit 'Elvira's droom'. Ook kwam me uit de flyer de slee met de Husky's bekend voor. Inderdaad, deze komen voor in de uitgebreide versie van 'Het feest van de Kerstman'.  Deze versie kun je lezen in HET HUIS VAN DE KERSTMAN. Daar waar de aandacht van die organisatie mee getrokken werd.

Het valt me wel op dat er dit keer iets leuks van henzelf (hoewel… dat vraag ik me af uit welke hoek ze dat weer hebben gehaald) staat, namelijk dat de kerstman de slee mag voorttrekken. Ze gaan dus vooruit (als ze het tenminste zelf hebben verzonnen).

Iets anders, net als verleden jaar, krijg ik bij dit verhaal de indruk dat de kerstman van die clownschoenen aan heeft, want ook hier weer de uitdrukking ‘sapperdeflap!’, net als verleden jaar. Ook weer iets niet van henzelf. Als verhaal qua schrijfstijl is en blijft het een gedrocht. Bovendien ontdekte ik veel taalfouten. 

Deze keer hebben ze het 'netjes gehouden'. Minder netjes dan verleden jaar, maar netter dan de eerste keer, toen de overeenkomsten wel heel erg opvielen. Verleden jaar alleen het draaiboek van de kerstman die gestolen was door de trollen. Ze noemden het geen draaiboek, maar beschreven het (zie verdwenen rendieren). Toch denk ik dat het feit dat ze het deze keer op een flyer hebben uitgegeven en niet openbaar op de site hebben gezet, alles te maken heeft met de toch wel opvallende overeenkomsten uit mijn verhalen. En dan dit keer vooral wat betreft de plotontwikkeling. Lekker stiekem gedaan, dan ziet ze het hopelijk niet, hebben ze wellicht gedacht. Mispoes! 

Ik spreek de hoop uit dat ze volgend jaar zelf eens iets originelers gaan verzinnen en vooral dat ze het niet over de rug van auteurs doen. Voor achtergrondinformatie over de verhalen die ik in 2006 naar hen heb verzonden, kijk bij achtergrondinformatie

Wat betreft mijn kerstverhalen, zal ik kort zijn. Naast deze, die op deze site zijn geplaatst, heb ik er nog een aantal. Deze ga ik volgend jaar samenvatten in een boekje. Als zij het niet willen vermelden, dan ga ik zelf wel bekend maken door de verhalen in een boekje te zetten, wie een deel van hun inspiratiebron is. Eerlijk is eerlijk.

Tegelijkertijd met het uitbrengen van dit boekje, zal er een brief van mijn advocaat naar deze club gaan. Want dat ze de rest van de verhalen ook zonder toestemming gaan gebruiken, zal ik niet accepteren! Je zou denken dat mijn sprookjes nu wel volledig zijn uitgezogen qua inspiratie/plotinspiratie, maar ja.... na dit jaar weet ik dat ze van geen ophouden weten. Ik kan ze nog wel tientallen, originele dingen aan de hand doen, maar dat bewaar ik lekker voor mijn eigen boekje. Het wordt voor hen tijd voor eigen verzinsels OF bronvermelding.  

Wat mij rest is het toewensen aan mijn lezers van een fijne kerst 2008 en een goed, en voor wie de schoen past, een eerlijk 2009.

 

De verdwenen rendieren

 

De kerstman zat in zijn luie stoel voor de open haard en las het grote kerstdraaiboek. Hoewel het pas herfst was, moest alles al geregeld worden voor het kerstfeest. De kerstman en zijn elfen waren volop bezig met de voorbereiding. Er werd hard op de deur van de woonkamer geklopt en het volgende moment stapte de elf Drippel binnen. Hij moest de rendieren trainen en was in paniek. ‘Kerstman,’ riep hij. ‘De rendieren zijn niet in orde. Ze zijn sloom en suf.’

Daar moest de rendierendokter dus aan te pas komen. De dokter - ook een elf - onderzocht de rendieren stuk voor stuk en schudde bezorgd met zijn hoofd. Hij zei: ‘Kerstman, de rendieren mogen dit jaar niet vliegen. Ze mogen de slee alleen lopend voorttrekken.’

‘Dan mag ik nu wel vertrekken,’ zei de kerstman. ’Anders ben ik nooit op tijd bij de mensen.’

Er ontstond grote onrust, want nu moesten in de kortst mogelijke tijd alle cadeautjes klaar en ingepakt zijn. Alle elfen werkten zo hard als ze konden en zo kon de kerstman snel vertrekken. De rendieren werden voor de overvolle slee gespannen en zo rustig mogelijk sjokten ze voort. De kerstman was dit helemaal niet gewend en verveelde zich. De slee, die heel goed uitgerust is, gleed door de sneeuw op de Noordpool. De zee werd bereikt en eerst gleed de slee over de ijsschotsen en daarna over het water. De rendieren konden gewoon op het water lopen. Bij het bereiken van het vaste land kreeg de slee kleine wieltjes. Het regende en dat vond de kerstman helemaal niets. Sneeuw moest er vallen; veel sneeuw. De kerstman zwaaide met zijn handen en niet veel later begon het te sneeuwen. Veel te vroeg voor de tijd van het jaar werd het landschap bedekt door een dikke sneeuwlaag. Vrolijk reed de kerstman door een groot woud. De rendieren moesten vaak rusten en de kerstman maakte van die gelegenheid gebruik om een dutje te doen. Zijn gesnurk klonk door het woud en ging op de wijs van “kling klokje klingelingeling“. De trollen, die verscholen zaten in grotten, werden er wakker van. Ze gingen een kijkje nemen en zagen daar de slee en de rendieren staan. Dat was mooi; rendieren, daar hadden ze wel iets aan voor een overheerlijk feestmaal. Stiekem op hun teentjes liepen ze naar de slee en maakten de rendieren los. De kerstman lag zo heerlijk te snurken; die merkte helemaal niets. Niet veel later werd de kerstman wakker en schrok zo dat zijn muts van zijn hoofd afvloog. In paniek keek hij rond en zocht naar de sporen van zijn rendieren. Die waren niet meer te vinden, want de laatste trol van het groepje had de sporen gewist met een dikke tak.

De kerstman ging te voet verder, in de hoop zijn rendieren te vinden. Na een tijdje gaf hij het op en wilde terug naar de slee. Hij raakte echter spoedig verdwaald in het woud. Urenlang liep hij te zoeken naar zijn slee. Zijn voeten begonnen te bevriezen en zijn wanhoop was groot. Wat was daar? Zag hij het goed? Iets verderop stond een fraaie dennenboom, versierd met de mooiste kerstballen, glinsterende vogeltjes en goudkleurige slingers. Groter werd zijn verbazing toen hij zag dat alle dennenbomen in dit deel van het woud versierd waren. Zowaar, hier was alles al versierd voor het kerstfeest. Hij zag kleine elfjes met ragfijne vleugels die een sneeuwpop met vleugels maakten.  Honderd meter verder bekogelden elfjes elkaar met sneeuwbollen. Er was een bevroren vijver waar elfjes schaatsten en hij hoorden een prachtig gezang boven zich. Op de takken van een boom zat een kerstelfjeskoor en zij zongen uit hun gouden keeltjes het hoogste lied. Een elfje kwam op een sleetje de heuvel af en begroette de kerstman vriendelijk. ‘Dag kerstman, u komt dit jaar vroeg de cadeautjes  brengen.‘ De kerstman vertelde haar wat er allemaal was gebeurd en ze zei: ‘Oh, daar moeten wij dan iets aan gaan doen. Wij zullen u helpen, kerstman. Wij kunnen al vliegend uw arrenslee zoeken.’ Alle elfjes werden bij elkaar geroepen en in groepjes vlogen zij uit. De kerstman werd bij de opperelf gebracht in haar knusse paleis, dat gebouwd was in een enorme holle boom en kreeg heerlijke elfenkost te eten. In spanning wachtte hij af. De elfjes hadden de slee zo gevonden … maar wat was dat? Hij was helemaal leeg! Er zat geen cadeautje meer in. Ze keken rond, maar vonden nergens sporen. Behalve - het was bijna niet te zien in de sneeuw -  een plukje watten. Een elfje raapte het plukje watten op en zag nog een plukje en nog eentje … Ze volgde het spoor van watjes, dat leidde naar een grot en riep de andere elfjes. De elfjes vlogen tegelijkertijd de grot in, waar een trollenkindje aan een beertje zat te plukken, dat ze uitgepakt had. Ja, uitgepakt. Want de trollen hadden de cadeautjes gestolen en zaten deze brutaal uit te pakken. Ze schrokken zich wezenloos toen ze de elfjes zagen, want de toverkracht van de elfjes is nog altijd sterker dan die van de trollen.

 

‘We brengen alles terug!’ riep de oppertrol, want hij had er helemaal geen zin in om door toverkracht ondersteboven aan het plafond te worden geplakt of - nog erger - in steen te veranderen. Heel snel werden de presentjes weer ingepakt en naar de arrenslee teruggebracht. Gelukkig waren de rendieren  helemaal fris en gezond. De elfjes stapten in de arrenslee en met hun supersterke toverkracht vlogen ze naar hun mooie plekje in het woud. De kerstman was blijer dan ooit tevoren en deelde de pakjes voor de elfen uit. De rendieren waren zo aangesterkt door de superkracht van de elfen, dat ze weer konden vliegen. Zo kwam het dat de kerst weer helemaal normaal verliep. Behalve dan de wat slordig ingepakte presentjes die de mensen kregen, maar een kniesoor die daarop let.

 

© K.J. Erkens

 

 

 

Elvira’s droom

 

Elvira lag daags voor kerst in haar warme bedje. Haar moeder had haar kamer gezellig versierd. In het hoekje, op een rond tafeltje, stond een kleine kerstboom en een stenen elfje met een lampje in haar hand. Ook de ramen waren versierd; met rode linten en sneeuwklokken. Elvira viel al snel in een zachte slaap en begon te dromen. Ze droomde over een prachtig dorp. Het had flink gesneeuwd en de witte daken en straatjes staken mooi af bij de kleurige, houten huisjes.

Overal in het dorpje stonden versierde kerstbomen. Een paar deuren gingen open en elfenhoofdjes staken naar buiten. Een elf wenkte en nodigde Elvira uit. Ze wilde net naar binnen gaan of ze werd wakker. Zo leuk zou ze elke nacht wel willen dromen. Ze rekte zich uit en zag tot haar grote verbazing dat ze in een stervormig bed lag, onder een goudkleurige sprei. Ook de kamer was heel anders. Ze rook dennengeur en de hele kamer was versierd met de mooiste kerstspulletjes. Dat was vreemd. Er werd op de deur geklopt. Een elf stapte binnen en zei: ’Goedemorgen, Elvira.’

De elf had een ontbijtblad in zijn handen gevuld met allerlei heerlijkheden. Elvira keek haar ogen uit. Daar was een heerlijke kerststol, gevlochten zoete broodjes, roerei met paddenstoelen, gerookte ham en vossebessenjam. Dat was smullen. Aan een hangertje tegen de kast hing een leuk pakje. Een rokje, een jasje en een muts van rood fluweel, afgezet met bont. Het paste Elvira precies. Ze stapte in de zwarte laarsjes en deed de riem om en keek trots in de grote spiegel. Wat zag ze er mooi uit. De elf nam haar mee naar beneden en daar ontmoette ze de kerstman. Ze had hem op plaatjes en foto’s gezien, maar nooit in het echt. In het echt was hij nog vrolijker en vriendelijker dan ze had gedacht. Zijn buik schudde van het lachen en hij zei dat Elvira zo lang mocht blijven als ze wilde. De kerstelf, die luisterde naar de naam Kolder, liet haar het dorp zien. Precies hetzelfde dorp dat ze in haar droom had gezien. Ze keek haar ogen uit. Op het pleintje stond een fontein met beeldschone gevleugelde elfjes. Ze hielden glanzende bollen vast, waaruit donkerbruin water stroomde. Of nee; het was geen water, het was warme chocolademelk. Ze mocht een kopje eronder houden en Kolder draaide met zijn wijsvinger een toefje slagroom erop. Na dit heerlijke drankje nam Kolder haar mee naar de stal, waar de rendieren stonden. Elvira vond het prachtig. De rendieren knikten haar vriendelijk tegemoet en ze mocht ze één voor één aaien. Kolder pakte een satijnen zakje en zei: ‘Hierin zit elfenstof. Als de kerstman met de rendieren op stap gaat, hoeft hij alleen wat van deze stof over de rendieren te strooien en dan gaan ze vliegen.’ ‘Ach, mag ik dat zien?’ vroeg Elvira, maar Kolder zei: ‘Nee, lief meisje. De rendieren moeten nog even uitrusten. Misschien later. Misschien mag je zelfs met de kerstman mee.’

Kolder stopte het zakje elfenstof in zijn broekzak en nam het meisje mee naar de speelgoedfabriek. Oh, dat was een hele grote fabriek, waar honderden kerstelfen aan het werk waren. De zweetdruppels liepen van hun hoofdjes terwijl ze timmerden, zaagden, boetseerden en verfden. ’Zo zie je hoe hard wij moeten werken om al jullie speelgoed op tijd af te krijgen,’ zei Kolder. ’Wat had jij deze kerst willen hebben, Elvira?’ ’Ik heb aan de kerstman een hobbelpaard gevraagd,’ antwoordde het meisje. Hij nam het meisje mee naar de hobbelpaardenafdeling. Daar zag zij een hobbeleenhoorn, sierlijk uit hout gesneden en zijdezacht wit geschilderd, met een gouden hoorn en hoeven. Kolder maakte een uitnodigend gebaar en op dat moment viel het zakje met elfenstof uit zijn broekzak en daar merkte hij niets van. Elvira raapte het zakje op en vroeg of zij op de hobbeleenhoorn mocht zitten.Kolder knikte en Elvira stapte op het paard. Ze strooide het zakje uit over de eenhoorn. Rondom de eenhoorn en Elvira waren allemaal twinkelende sterretjes te zien en Kolder schrok enorm. Het was echter al te laat. De hobbeleenhoorn begon te vliegen en dankzij de toverkracht van de elfenstof zat Elvira stevig in het zadel. Ze vloog de fabriek uit. In paniek rende Kolder naar de kerstman. Die wilde meteen zijn rendieren voor de arrenslee spannen om het kleine meisje te zoeken.

Elvira vloog hoog in de lucht en vond het prachtig. De elfenstof zorgde er ook voor dat ze het niet al te koud had. Alleen had er in het zakje niet zoveel elfenstof meer gezeten, zodat de toverkracht na korte tijd al uitgewerkt was. De eenhoorn zakte naar beneden en landde op het sneeuwtapijt. Het meisje stapte af en keek rond. Ze was midden in een groot bos. De lucht was grauw en het begon te sneeuwen. Ze kreeg het erg koud en werd bang. Hier was ze moederziel alleen en niemand die haar kon helpen. De kerstman vloog rond met zijn arrenslee, maar zag geen hobbeleenhoorn met een meisje in de lucht en beneden zag hij haar ook al niet.

 

Het meisje stond onder een grote dennenboom te rillen van de kou. Ze begon te huilen en haar tranen bevroren voordat ze de grond hadden geraakt. Het was al donker geworden en de sterren stonden aan de hemel. Ineens begonnen een paar sterretjes te bewegen en ze werden steeds groter. Warempel; ze vlogen naar Elvira toe. De mond van het kind viel open van verbazing toen ze zag dat zich uit de sterretjes elfjes vormden. ‘Ach, arm kind,’ zei één van de elfjes. ‘Waarom sta je hier zo te koukleumen?’ Elvira vertelde bibberend hoe dat zo gekomen was en het elfje zei: ‘Oh, ondeugend kind dus! Met elfenstof mag je niet zomaar spelen, maar we zullen je helpen.’ Een elfje knipte met haar vingers en er groeiden kerststerren dwars door de sneeuw heen. Snel als de wind trokken de elfjes ragfijne draden uit de bladeren en weefden daarmee binnen een mum van tijd een mooie rode mantel met vleugeltjes. De mantel zag er uit als fluweel, maar voelde aan als zijde. Elvira moest hem aantrekken en kreeg het heerlijk warm. ‘Hij is warm in de winter en koel in de zomer,’ zei de elf. ‘De stof is oersterk, maar je voelt bijna niet dat je de mantel aan hebt. Ga maar op de eenhoorn zitten en maak met je armen vleugelbewegingen. Dan ga je vanzelf vliegen en kun je terug naar het kerstdorp.’ ‘Maar dan val ik van de eenhoorn af,’ zei Elvira bang. ‘Daar hoef je niet bang voor te zijn, Elvira,’ zei de elf. Dat was zo; de mantel viel over de hobbeleenhoorn heen en de flappen bonden zichzelf vast. Het kind zat stevig in het zadel. Ze zwaaide met haar armen en de vleugels gingen mee. Ze steeg op, terwijl de elfjes haar gedag zwaaiden. Nu terug naar het elfendorp, alleen … waar was dat ook alweer? In de verte vloog nog iets. Dat was de arrenslee van de kerstman. Dolblij zwaaide Elvira met haar armen en de vleugels klapperden vrolijk heen en weer. De kerstman had het kleine meisje gezien en pikte haar op. Veilig in de arrenslee vlogen ze terug naar het kerstdorp en Elvira beloofde nooit meer zoiets ondeugends te doen.

 

© K.J. Erkens

 

Het feest van de kerstman

 

De kerstman heeft een hele grote familie. Met de kerstdagen is het een drukte van jewelste, want alle kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen komen dan op bezoek. Het huis van de kerstman is erg groot, maar veel te klein voor allemaal. Dat is nooit een probleem, want de hoofdelf kan goed toveren. Hij spreekt een toverspreuk uit en alle ruimtes dijen uit. De eettafel en keuken worden groter, er komen meer stoelen, de logeerkamers worden groter en er komen zoveel bedden als nodig is.

Zo ging het jaar in, jaar uit. Op een dag was de hoofdelf ziek. Hij had de elfengriep en met griep onder de leden kon hij niet toveren. Hij voelde zich elfenellendig en bleef in bed liggen. De andere elfen waren druk bezig de grote kerstboom buiten op te tuigen. Duizenden toverlichtjes en bijzondere versieringen werden in de boom gehangen. Hulpelfen van buitenaf - met vleugeltjes - konden naar de hogere delen van de boom vliegen en daar de mooie ballen in hangen. De piek was enorm groot en van zuiver goud, met edelstenen versierd. Er waren vijf gevleugelde elfjes voor nodig om de zware piek op de top te zetten.

De kerstman had wel een probleem met de ziekte van de hoofdelf. Zo kon hij zijn familie niet ontvangen. Hij kon ze moeilijk in de grotten, waar de elfenfabriek was, onder brengen. Dat doe je de familie niet aan. De dokter kwam, maar hij kon niets doen aan de elfengriep. Dat was een kwestie van uitzieken. De kerstvrouw verwende de elf, die bleekjes in zijn bed lag. Ze bakte koekjes voor hem en bracht hem warme soep of chocolademelk. Niets hielp, want de elfengriep was berucht. De puntoren van de hoofdelf begonnen slap te hangen en hij werd steeds zieker. De hele dag lag hij te snotteren en te trillen van de koorts. Op zijn huid stond kippenvel, want zelfs onder de warme dekens had hij het nog koud..De kerstvrouw had de alle kindertekeningen aan de muren in het huis gehangen. Dat waren zowel tekeningen van de eigen kleinkinderen als van de kinderen uit alle landen. Postzakken vol kreeg de kerstman altijd en deze vonden een plekje in het huis. De kerstman keek er tevreden naar, maar zei: ‘Ik kan de familie onmogelijk aan de muren hangen. Hoe moet dat nu als ze straks op visite komen?. De hoofdelf is nog steeds heel erg ziek.’ ‘Ach, we schikken wel een beetje in,’ zei de kerstvrouw.

Die avond was het al zover. Een voor een kwam de familie binnendruppelen. De kapstokken (van namaak rendiergeweien) waren al snel overvol en alle warme jassen werden op een hoopje gegooid. De woonkamer was ook al snel gevuld en de rest van de familie ging maar op de gang staan.

De kleine kinderen waren al naar de kinderkamers gegaan en ruzieden wie er in de bedden mochten slapen en wie op de grond. Het was een drukte en herrie van jewelste. De kerstman en zijn vrouw konden er niet langer tegen en besloten een wandeling te maken. Misschien kwamen zij dan wel op een goed idee om dit probleem op te lossen. Het was buiten donker en koud. Kleine sneeuwvlokjes dwarrelden uit de lucht. Ze liepen zwijgend door het bos en wisten zich geen raad. Op gegeven moment besloot de kerstman weer naar huis te keren, maar ze waren verdwaald. De kou werd steeds erger en ze kwamen niemand tegen. De voeten van de arme kerstman en zijn vrouw begonnen te bevriezen. De kerstman sloeg zijn arm om zijn vrouw heen en ze gingen onder een boom zitten. Zo hielden ze elkaar warm. Maar voor hoe lang zou dat goed gaan? Tot ramp van overmaat begon het steeds harder te sneeuwen. Hoewel de takken wel iets tegenhielden, raakten ze toch langzaam maar zeker ingesneeuwd. De kerstman had er spijt van dat hij niet een zakje elfenpoeder had meegenomen. Dit gouden lichtgevende poeder, waarmee hij ook zijn rendieren bestrooiden als hij ging vliegen, had wonderen kunnen verrichten in deze situatie. Het was schaars en de elfen bezorgden de kerstman altijd ruim voldoende voor zijn kerstreizen door de lucht, maar dit had hen kunnen redden. De kerstvrouw had haar bewustzijn verloren en de kerstman trok zijn warme jas uit om haar te verwarmen. Had hij nu maar vuur bij zich, dan kon hij wat takken branden ... misschien. Hij had niet eens meer de kracht om naar voren te buigen. Alles werd hem zwart voor de ogen en ook hij verloor het bewustzijn ...............

Even later werd hij wakker en hij proefde sterke drank. Hij opende langzaam zijn ogen en keek in de ogen van een kleinzoon. 'Opa, gelukkig, u leeft nog!' zei de jongeman. De kerstman keek op en zag dat veel familieleden om hen heen stonden. Er hadden zich een paar over zijn vrouw ontfermd. Ze hadden warme dekens en thermoskannen koffie bij zich en niet vergeten sterke drank. 'We waren zo ongerust, dat we naar jullie op zoek gingen...' zei de jongen. De kerstman kreunde en een glimlach verscheen rond zijn lippen.

Enkele familieleden wikkelden hem in warme dekens en ze droegen hem en zijn vrouw naar huis. Daar werden ze in een warm bed gelegd en tot in de puntjes verzorgd. Zo knapten ze al snel op. De familie had besloten niet langer meer te bekvechten over de schaarse plekjes in het huis. Velen van hen zouden wel een lekker slaapplekje in de grotten vinden.

Wonder boven wonder knapte de hoofdelf op en met al zijn toverkracht maakte hij van het kersthuis één groot feestpaleis. Zo ging het kerstfeest met de familie zoals vanouds door, maar ze hadden wel iets geleerd. Breng nooit de gastheer en gastvrouw tot wanhoop als het niet naar wens verloopt.

 

© K.J. Erkens

 

 

De betovering

 

Het was bijna kerstmis. De kerstman bereidde zich al voor en zat die ochtend met zijn vrouw aan de gezellige kransvormige ontbijttafel, gevuld met heerlijkheden. De tafel was gedekt met porseleinen bordjes die met hulst versierd waren. Er stond een mand met heerlijke broodjes, er was kastanjepaté, paddenstoelenragout en hazelnootkoekjes. Nadat de kerstman zich tegoed had gedaan aan al dat lekkers zei hij tegen zijn vrouw: ‘Vandaag ga ik nog een keer alles nalopen, zodat alles gesmeerd loopt als het grote feest begint. Ik kom vanavond laat thuis, dus maak maar iets gemakkelijks klaar. Een grote pan erwtensoep of zoiets.’

Tevreden liep hij door de kerstfabriek, waar de elfen druk bezig waren alles op tijd klaar te krijgen. Zakken vol speelgoed stonden al klaar en men was druk bezig speelgoed in te pakken. Na dit bezoek liep de kerstman naar de rendieren. Hij naderde de stal en spitste zijn oren. Wat hoorde hij; een paard hinniken? Dat was vreemd. Zijn laarzen knerpten in de sneeuw en nu meende hij een varken te horen knorren. Dat kon toch niet? Hij wilde net de staldeur open doen, toen hij geblaf hoorde. Wat was hier toch aan de hand?

Hij deed de staldeur open en daar stonden alle rendieren in de boxen. Er hingen al belletjes in hun hoorns en ze hadden hun kerstbeugels al om. Piccobello in orde dus. Echter, in de stal stonden een paard, een varken en een hond, notabene uit de gouden trog te eten.

‘Wat doen jullie hier?’ vroeg de kerstman. ’Wie heeft jullie binnengelaten?’ De dieren begonnen  geluiden te maken en het paard knikte met zijn hoofd in de richting van het woud.

De kerstman haalde zijn schouders op en besloot in het woud te gaan zoeken naar het antwoord. Misschien waren de dieren wel verdwaald. Misschien was het baasje nog in het bos. In het bos zag hij grote, met sneeuw bedekte bomen. ‘Hallo,’ riep hij. ‘Is er iemand een paard, een varken en een hond kwijt?’ Niemand reageerde; zelfs de vogeltjes hoorde hij niet. Het was alsof het bos was uitgestorven. Net wilde hij onverrichter zake terugkeren, of een elf vloog vlak voor zijn neus en landde op het pad. ‘Een paard, varken en een hond heb ik niet gezien. Wel twee mannen en een jongetje, alleen gingen zij de verkeerde weg. Ik heb nog geprobeerd ze te waarschuwen, maar ze zijn langs het pad van de woudheks gelopen. Misschien vindt u daar het antwoord. Ik ga wel even met u mee.’

De kerstman en de elf liepen door en hij zag voetsporen in de sneeuw. Voetsporen van twee mannen en een kind. Daar was het huis van de woudheks. Een griezelig, donkerbruin hutje met ramen vol spinnenwebben en onkruid in de voortuin. Hij zag dat de voetsporen het tuinpad op waren gegaan, maar hij zag nog meer sporen die terug naar het woudpad liepen. De sporen van een paard, een varken en een hond.  ‘De mensen zijn bij haar op bezoek,’ zei de kerstman ‘maar haar dieren zijn ontsnapt!’ ‘Of er is iets anders aan de hand,’ zei het elfje op geheimzinnige toon. De kerstman zei: ‘Ik weet nu waar ze vandaan komen en ik ga ze terugsturen.’ ‘Ik vlieg met u mee,’ zei het elfje en ze dartelde achter hem aan. Eenmaal in de stal bekeek ze de dieren goed.

‘Precies wat ik dacht,’ zei het elfje. ‘De woudheks heeft ze betoverd. Neem ze maar mee naar buiten, dan breng ik ze terug in normale staat.’

Zo gezegd, zo gedaan. Bij het huis van de kerstman klonk een rinkelend geluid en hij kneep zijn ogen samen. Wat was dat? Oei, daar liep een vrouw, gekleed in het zwart. Ze wees met haar puntige wijsvinger naar de ballen die in de bomen langs de laan hingen, die terstond uit elkaar sprongen.  Ze was boos en wilde de kerstman bezoeken.

‘Wat moet dat daar?’ riep de kerstman. De vrouw stond stil en keek naar de kerstman. Met stampende voeten liep ze naar hem toe; de glasscherven kraakten onheilspellend onder de zolen van haar puntschoenen.

‘U heeft mijn dieren gestolen,’ zei ze met een krakende stem. ‘Ja, die daar. Het varken, het paard en de hond. Ineens waren zij verdwenen.’

De elf, die zich achter de kerstman had verstopt, sprong naar voren en zei: ‘Dat is niet waar, oude heks en dat weet je zelf ook wel. Kijk maar …’

Voordat de heks kon ingrijpen, zwaaide de elf drie keer met haar toverstafje. Duizenden flikkerende sterretjes verschenen rondom de dieren. De heks begon te krijsen. Het paard was de eerste die veranderde. Hij werd een lange jonge man met een bruine winterjas aan. De heks begon te stampvoeten. Het varken veranderde in een dikke, gezellige man.

De hond tenslotte werd weer een vrolijk jongetje. Het jongetje was met zijn vader en opa gaan wandelen in het bos, totdat ze de pech hadden bij het heksenhuisje aan te kloppen. De heks veranderden hen in dieren. Ze wisten te ontsnappen en ontdekten de stal van de rendieren. De heks was woedender dan ooit tevoren, maar ze kon met haar toverkracht niets uitrichten en ging al scheldend terug naar het woud.  De mensen werden van harte uitgenodigd bij de kerstman. Jammer alleen van al die mooie kerstballen, die kapot waren.

‘Geen nood,’ zei het elfje. Ze haalde een prachtige gouden bellenblazer tevoorschijn en blies toverbellen, die zachtjes naar de bomen zweefden. Ieder takje kreeg zo glanzende balletjes, die zo sterk waren, dat geen storm ze meer kon beroeren.  

 

© K.J. Erkens

  

De hulpkerstman

 

Lang geleden dreigde het hele kerstfeest in het water te vallen. De kerstman was namelijk ziek. Niet zomaar ziek, maar heel erg ziek. Hij had hele hoge koorts en voelde zich vreselijk lamlendig. Nu konden de elfen alle cadeautjes wel rond brengen, dat was geen probleem. Ook waren er veel hulpkerstmannen, die bezoekjes konden afleggen. Toch was dat niet voldoende. De kerstman gaf zijn hoofdelf de opdracht een advertentie in de kranten te plaatsen voor meer hulpkerstmannen.

Die advertentie werd gelezen door Jan Keman. ‘Hulpkerstmannen,’ mopperde hij. ‘Bah!’ Jan had een hekel aan kerstmis. Er kwam bij hem dan ook nooit een boom in huis. Toen hij verder las, begon hij echter te glimlachen. “De hulpkerstmannen moeten veel cadeautjes persoonlijk rondbrengen. Goede verdienste.” Jan kreeg een goed idee en hij begon meteen een sollicitatiebrief te schrijven. Na enkele dagen stond er als uit het niets gekomen een elf van kerstpersoneelszaken voor zijn neus. De elf keek de kamer rond en vroeg: ’Waarom hangen hier nog geen kerstversieringen? Waarom staat er geen kerstboom? Bah, wat ongezellig.’ ’Oh … eh ….,’ stamelde Jan. ’Ik heb het erg druk gehad … ’ De elf keek Jan met scherpe blik aan. Was deze man wel geschikt als hulpkerstman? Er waren helaas niet zoveel reacties gekomen op de advertentie, dus iedere hulpkerstman was welkom. ’Goed,’ zei de elf en hij knipte met zijn vingers. Het volgende moment had Jan een kerstmanpak aan.  ‘Mijnheer Jan, u gaat de kinderen in het kindertehuis kerstcadeautjes brengen.’ De elf knipte nogmaals met zijn vingers en daar stond een zak vol met cadeautjes. ‘Alle instructies zitten in de zak van uw kerstpak. Als het werk is gedaan, ontvangt u het salaris. Veel succes!’

 ‘Elf … heeft u geen mooie cadeautjes voor een bejaardentehuis, of zoiets?’ vroeg Jan, maar de elf was als bij toverslag verdwenen.

Jan haalde het briefje uit de zak van het kerstpak. Daar stond precies op waar het kindertehuis was en welk kind wat kreeg. ‘Bah,’ mopperde Jan. ‘Als het nu cadeautjes voor volwassen mensen waren, zoals parfums, sieraden, mooie apparaten. Dat kan ik tenminste gemakkelijk doorverkopen. Wat moet ik met puzzels, poppen en autootjes!’ Het gemene, hebberige plannetje van Jan ging dus niet door. Boos ging hij in zijn stoel zitten en bedacht wat hij nog meer kon verzinnen. Na enige tijd wist hij het. Hij pakte al de pakjes uit de zak en verbaasde zich erover dat het leek alsof de zak geen bodem had en de cadeautjes aan leken te groeien. Stapels cadeautjes had hij er uitgehaald, die hij één voor één uitpakte en achteloos in een hoek van de kamer gooide. Die zou hij zeker kunnen verkopen. Had hij toch iets extra’s. Hij stopte de presentjes in een paar vuilniszakken en belde de krant voor het zetten van een advertentie. Nu wilde hij natuurlijk ook nog het salaris voor zijn werk krijgen en dat kon alleen maar als hij naar het kindertehuis ging. Dus pakte hij nieuwe dingen in de cadeaupapiertjes, maar wat voor dingen. Een propje wc-papier, een afgekloven pen, een wc-rolletje, een stukje gebruikte zeep, een paar folders. Allemaal dingen die hij toch weg zou gooien. Wat zouden de kinderen opkijken. Waarschijnlijk moesten ze niets meer van de kerstman weten en dat was maar goed ook. Kerstmis was toch een stom feest, vond Jan. Met veel plezier ging hij op weg naar het kindertehuis. De kindertjes stonden al te wachten en vroegen honderduit. ’Kerstman, waar is uw arrenslee?’ ’Oh, die is in de garage,’ bromde Jan. ’Ook een arreslee gaat wel eens stuk.’ Dat vond hij best wel een goed antwoord van zichzelf. Hij werd onder juichende kreten binnengehaald en de kinderen konden niet wachten totdat ze cadeautjes uitgedeeld kregen. Dat was een sof. Teleurgesteld keken de kinderen naar hun cadeautjes; vogelveertjes, een kladblaadje, koffiedrab zelfs.Wat waren ze verdrietig. Wat was de leiding boos. Al spoedig hoorde de elf van personeelszaken van deze kwestie. Hij had het salaris van Jan helaas al overgemaakt. De elf was boos op zichzelf dat hij het niet goed had ingeschat. Gelukkig kwam de advertentie van Jan hem onderhanden. “Veel nieuw speelgoed aangeboden; onder andere een houten garage, trekpoppen, een houten kabouterdorp. Uniek en handgemaakt.” Dat waren nu precies de cadeautjes die voor de kinderen in het tehuis bestemd waren. De elf bedacht een list en verkleedde zich als een mens. Hij maakte een afspraak met Jan. Toen het eenmaal zo ver was vroeg de elf hem weer waarom het zo kaal was in het huis. ‘Ik heb een hekel aan kerst,’ vertelde Jan. ‘Dat feest zouden ze eens af moeten schaffen.’ Tevreden bekeek de elf al het speelgoed en zei: ‘Ik koop al het speelgoed, al vind ik dat u er veel geld voor vraagt.’  ‘Niets is teveel voor gelukkige kindergezichtjes,’ zei Jan.

Op dat moment knipte de elf drie keer met zijn vingers en overal in huis hingen glinsterende kerstversieringen. Jan was maar net van zijn verbazing bekomen of de elf knipte nog drie keer met zijn vingers. Daar stond een enorme kerstboom in de kamer met talloze versieringen. ’Wat doet u nou?’ vroeg Jan. Nog een keer knipte de elf drie keer met zijn vingers en hups, daar was Jan weer getooid in een kerstmanpak. De elf pakte de zak met speelgoed op en zei tegen de totaal verbouwereerde Jan: ’Zo, nu ga ik weer. Een jaar lang zult u in dit pak rondlopen, een jaar lang zullen de kerstversieringen blijven hangen en de kerstboom blijven staan. Het geld voor het speelgoed heeft u al op uw rekening staan. Een goed jaar toegewenst!’ En weg was de elf.

Hoe Jan ook probeerde, de kerstversieringen hingen oerstevig aan het plafond en aan de muren. De boom was nog met geen honderd man te verplaatsen. Het pak leek aan zijn lichaam vastgeplakt en iedere poging om hem uit te trekken deed Jan pijn. Hij zuchtte diep. Een jaar lang in kerstsfeer vertoeven. Dat was pas een straf. De kinderen in het kindertehuis kregen alsnog hun cadeautjes en de kerstman knapte weer helemaal op. Voorlopig geen onbetrouwbare hulpkerstmannen meer.

 

© K.J. Erkens